Gerben Verwoert is sinds twee jaar werkzaam als loonwaardedeskundige bij Loonwaardeadviesbureau Rijnmond. Per week voert hij gemiddeld twee tot vier loonwaardemetingen uit.
Welke eigenschappen komen goed van pas in je werk als loonwaardedeskundige?
“Ik heb oog voor detail en ben analytisch ingesteld. Ik begin eigenlijk al met dingen waarnemen op het moment dat ik binnenkom. Het is altijd even aftasten hoe je iemand het beste kunt benaderen. Daar betrek ik de werkgever altijd bij. Die kent de werknemer immers het beste.“
“Vooral tijdens de werkobservatie zie ik de werknemer natuurlijk vaak maar kort in actie, waardoor het belangrijk is om snel signalen op te pikken en te beoordelen of deze aansluiten bij het beeld dat tijdens het interview is geschetst.“
Kun je een voorbeeld noemen van een uitdaging in je werk?
“Werkgevers zetten zichzelf soms klem door de werknemer in kwestie een functietitel te geven die eigenlijk te hoog gegrepen is en die dan vervolgens als normfunctie te gebruiken. Zo deed ik een loonwaardebepaling bij een jongeman bij wie in zijn contract stond dat hij ‘allround timmerman’ was. Gedurende het interview kwam ik erachter dat hij meer ‘assistent werkplaats’ was. De werkgever had met de beste bedoelingen gedacht: om die jongen het gevoel te geven dat hij volwaardig meetelt, geef ik hem dezelfde functietitel als de andere jongens. Daarin moet ik wel eens wat streng zijn door te zeggen: ˊja, maar daar kunnen we hem niet mee vergelijkenˊ. Sommige werkgevers vinden dat moeilijk om te begrijpen, omdat ze het gevoel hebben dat ze worden afgestraft voor hun betrokkenheid en inzet.”
Uit de Loonwaarde Monitor over 2025 blijkt dat niet altijd een werkobservatie wordt uitgevoerd. Hoe zit dat bij jou?
“Ik heb zowel de input van de werkgever als van de werknemer nodig om tot de loonwaarde te komen. Maar ik wil die aan elkaar toetsen. Als daar hele grote hiaten tussen zitten, dan wordt het in mijn ogen nog belangrijker om in te zoomen op mijn eigen waarneming. Soms berust een het ook gewoon op een storing in de communicatie en dan is het mooi als je door eigen onderzoek kunt ontzenuwen.”
“In de meeste gevallen is er enigszins consensus over de arbeidsprestaties. De werkgever is echter bij het onderzoeksinterview vaak kritischer over de geleverde prestaties, dan het vooraf geschetste beeld of het beeld dat werknemer van zichzelf heeft. Werknemers hebben doorgaans de neiging om zichzelf ietwat te overschatten. Ik benader dat als een gezond fenomeen, want ik denk dat we dat allemaal doen. Daarom is het toetsen aan objectieve bronnen en de praktijk zo belangrijk. De waarheid ligt vaak in het spreekwoordelijke midden.”
Hoe ervaar je een praktijkobservatie?
“Ik heb de praktijkobservatie als heel prettig ervaren. Het was nuttig om inzichten met elkaar uit te wisselen en over bepaalde casussen te kunnen sparren. Ik vind het goed dat dit gebeurt, omdat ik er een groot voorstander van ben om de kwaliteit te waarborgen en dat we met elkaar dat als beroepsgroep ook nastreven en dat serieus nemen. Daarnaast denk ik dat het heel goed is dat er in kaart wordt gebracht waar loonwaardedeskundigen in de praktijk tegenaan lopen.”