Direct inzicht in de kwaliteit van uw dienstverlening?

Start de scan

Waarom zieke werknemers niet terugkeren naar werk

Deel dit artikel

LinkedIn
X
Email
Facebook

Nederland en de cultuur van vermijding

Voor de re-integratie van mensen die ziek uitvallen heeft Nederland een uitgebreid systeem opgezet. Misschien wel het uitgebreidste systeem van de wereld. Toch lukt het maar niet om het langdurig verzuim terug te dringen. In 2024 meldde zich ongeveer 52 procent (4,2 miljoen)[1] van de werknemers minstens één keer ziek. Deze groep is verantwoordelijk voor het overgrote deel van alle verzuimdagen[2]. Hoe komt het dat we met dit uitgebreide systeem zoveel moeite hebben om langdurig zieke werknemers te re-integreren?

Blik op Werk viert dit jaar het 20-jarig jubileum van het Keurmerk Arbeid, voorheen Keurmerk Re-integratie. De invoering van dit keurmerk viel samen met de invoering van de wet WIA. Op het moment dat deze wet werd ingevoerd, stroomden 35.000 mensen de WIA in. Inmiddels zijn dat er 70.000. Die verdubbeling is deels te verklaren door een gegroeide beroepsbevolking en de hogere AOW-leeftijd, maar ook als je de aantallen corrigeert blijft de instroom, vooral door psychische klachten, stijgen. In totaal ontvangen nu ongeveer 600.000 mensen een WIA-uitkering. Dat is 1 op de 13 verzekerde werknemers.

Tot vier jaar in onzekerheid

Wie 104 weken (twee jaar) ziek is en niet heeft kunnen re-integreren, komt in aanmerking voor een WIA-uitkering. De gemiddelde wachttijd voor een WIA-keuring is inmiddels een jaar en acht maanden, vooral door het grote tekort aan verzekeringsartsen bij UWV. Wie ziek uitvalt en nog niet heeft kunnen re-integreren, zit dus feitelijk drieënhalf tot vier jaar in onzekerheid. Omdat het loon doorbetaald wordt, is de kostenpost enorm. Van de 8,3 miljard euro die werkgevers in 2023 aan loondoorbetaling voor werkgerelateerd verzuim kwijt waren, kwam 4,9 miljard voor rekening van psychosociale arbeidsbelasting: werkdruk, ongewenste omgangsvormen en psychische klachten.[3]

Oplossingen worden vaak gezocht in financiële prikkels, meer begeleiding en meer gesprekken. De vraag die daarbij wordt overgeslagen is waarom het in Nederland zo werkt en waarom het ons toch niet lukt dit probleem op te lossen. Om te weten welke oplossingen effectief zijn, moeten we eerst begrijpen waarom het systeem is ontstaan. En: welke culturele aspecten liggen hieraan ten grondslag?

Oplossingen worden vaak gezocht in financiële prikkels, meer begeleiding en meer gesprekken. De vraag die daarbij wordt overgeslagen is waarom het in Nederland zo werkt en waarom het ons toch niet lukt dit probleem op te lossen.

Nederland ziek, werkgevers verantwoordelijk

We gaan daarvoor terug naar de invoering van een nieuwe WAO in 1967. Afgekeurde werknemers kregen een uitkering van 80% van het laatstverdiende loon. Deze nieuwe wet blijkt aantrekkelijk. Van 200.000 WAO’ers in 1970 loopt het in tien jaar op tot 600.000. En een miljoen WAO’ers komt in zicht. “Nederland is ziek”, klonk het in de media. Deze crisis maakte duidelijk dat er iets anders moest komen. De oplossing werd gevonden in het verantwoordelijk maken van werkgevers voor re-integratie van zieke werknemers.

Dat leidde in 2002 tot de Wet verbetering poortwachter. Het tijdpad is strak: in de eerste week volgt de ziekmelding, in week zes de probleemanalyse door de bedrijfsarts, in week acht het plan van aanpak, in week 52 de eerstejaarstoets door UWV, en na 87 tot 91 weken het re-integratieverslag ter voorbereiding op de WIA-aanvraag in week 104. Wat de wet niet afdwingt is dat werkgever en werknemer, los van de formele contacten rond het plan van aanpak, met elkaar in gesprek blijven. Of de werkgever en werknemer ook met elkaar bellen over hoe het echt gaat.

Wat Nederland uniek maakt ten opzichte van andere landen, is de 104 weken dat een werkgever verantwoordelijk is voor loondoorbelasting en re-integratie. Dat is de langste verplichting ter wereld. In Duitsland is een werkgever zes weken verantwoordelijk. In Zweden is dat veertien dagen, in België twee tot vier weken en in Denemarken 30 dagen.

De paradox van de financiële prikkel

Het idee was simpel: werkgevers betalen voor zieke werknemers. Daarom zouden ze er alles aan doen om hen snel weer aan het werk te helpen. Deze financiële prikkel heeft echter een tegenovergesteld effect. Grote werkgevers reserveren een extra bedrag voor ziekteverzuim, en kleinere werkgevers verzekeren zich. Zo weet je in ieder geval waar je aan toe bent.

Tegelijkertijd verdwijnt daarmee de directe noodzaak om te handelen. Het resultaat is dat er bij werkgevers niet heel direct een incentive is om zieke werknemers weer snel aan het werk te krijgen. Voor werknemers is die incentive er ook niet altijd. In veel cao’s is immers afgesproken dat de werkgever het eerste jaar 100% van het loon doorbetaalt en in het tweede jaar minimaal 70%. Na 104 weken ontstaat er vaak voor werkgever én werknemer een soort gewenning aan de situatie.

De financiële prikkel werkte bij de start nog wel. Na invoering van de Wet verbetering poortwachter daalde de instroom van arbeidsongeschikten fors. De prikkel lijkt echter nu uitgewerkt. Meer geld, meer boetes of meer subsidies veranderen weinig aan de kern van het probleem. De barrières die overblijven zijn niet financieel, maar cultureel.

Vermijding is de norm

Dat arbeidsongeschiktheid als een geldprobleem wordt gezien, zou je als een cultureel aspect kunnen zien. Er spelen echter meer culturele patronen mee. Zo wordt de overtuiging dat je zieke werknemers met rust moet laten in Nederland breed gedeeld. Bovendien weten werkgevers niet hoe ze moeten handelen bij psychische klachten, wordt de bureaucratie gebruikt als dekmantel en is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor de re-integratie. Dit lijkt tot gevolg te hebben dat vermijding in onze cultuur de norm is.

De zieke werknemer met rust laten

In Nederland laten we zieke werknemers doorgaans liever met rust. Dat klinkt menselijk, maar het heeft een groot nadeel. De zieke werknemer raakt los van zijn werk en collega’s. De leidinggevende heeft steeds minder contact. Hoe langer dit duurt, hoe moeilijker het wordt om terug te keren naar het werk. De werknemer komt alleen te staan, wat zeker niet helpt bij het herstel. Er zijn genoeg voorbeelden bekend van werknemers die tijdens een maandenlange afwezigheid alleen mailtjes krijgen van de werkgever over het plan van aanpak. De werknemer kan alles bespreken met de bedrijfsarts. Beiden doen dan precies wat het systeem vraagt, maar raken elkaar volkomen kwijt.

Vermijding is geen exclusief werkgeversprobleem. Ook voor werknemers is het gebruikelijk geworden om de werkgever zo min mogelijk te vertellen en alles via de bedrijfsarts te laten lopen. Dat is begrijpelijk, de privacywetgeving is er niet voor niets en er is sprake van een hiërarchie waardoor niet iedere werknemer zich vrij voelt om open te zijn. De ziekmelding is bovendien een sociaal geaccepteerde vluchtroute geworden. Wie een conflict heeft met zijn leidinggevende, zich niet gewaardeerd voelt of opziet tegen een moeilijk gesprek, krijgt van collega’s al snel het advies: “Dan meld je je toch ziek?” Niet uit kwade wil, maar als teken van steun. Ook dan wordt het ongemakkelijke gesprek uit de weg gegaan en eenmaal ziek is de weg naar dat gesprek alleen maar langer geworden.

Psychische klachten niet bespreken

Vooral bij ziekteverzuim door psychische problemen is vermijding de norm. Zeker met de enorme toename van de psychische ziekteverzuim vinden werkgevers het lastig om het gesprek daarover te voeren. Ze praten makkelijker over een gebroken been dan over psychische gezondheid. Daarbij speelt de privacywetgeving wederom een rol: privacy is een groot goed in Nederland. Als werkgever mag je niet vragen naar de aard en oorzaak van de ziekte – alleen naar wat iemand nog wél kan. Zeker bij psychische problemen tast je als werkgever in het duister. Dit probleem heeft dus twee kanten: een juridische – wat mag je eigenlijk wel en niet vragen? –  en een culturele: werkgevers zijn bang om te kwetsen, klachten te krijgen of een grens over te gaan. Het gevolg is dat ze niets doen. Terwijl ze eigenlijk wel wat moeten doen: contact leggen met de zieke werknemer en in gesprek met elkaar blijven. Want dat bevordert het herstel, ook als dit contact ongemakkelijk is.

Wat daarbij ook nog speelt is dat veel psychische klachten vaak niet alleen met het werk te maken hebben. Ook omstandigheden thuis spelen mee, soms als voornaamste oorzaak. Voor een werkgever voelt dat als terrein waarover hij niets te zeggen heeft. Dit onderwerp wordt dan ook nauwelijks besproken en daarmee neemt de verwijdering tussen werkgever en werknemer alleen maar meer toe.

Papierwerk in plaats van gesprek

Dat werkgevers het gesprek niet voeren, is zelden onwil. Het is onvermogen. De wet is goed doordacht, maar ook erg formalistisch. Het plan van aanpak is zo voorgeprogrammeerd dat het echte gesprek met de werknemer erbij in kan schieten. Zeker voor een kleinere werkgever, die naast de ziekmelding ook de winkel draaiende moet houden, is re-integratie tijdrovend en ingewikkeld. Dan is het verleidelijk om vooral het proces te volgen dat is ingericht. Op tijd het plan van aanpak bespreken en elke zes weken bijstellen en geen boete van het UWV riskeren. Het papierwerk is op orde, maar het contact verdwijnt ongemerkt naar de achtergrond. De vraag is dus waarom het systeem het zo makkelijk maakt om het gesprek over te slaan.

Veel schakels, niemand verantwoordelijk

De werkgever is dus verantwoordelijk voor de loondoorbetaling. Maar wie is verantwoordelijk voor de re-integratie? Wie voert het gesprek met de werknemer? Dat dit onduidelijk is, heeft te maken met het aantal partijen dat betrokken is bij een zieke werknemer. Dat zijn er gemiddeld vijf: de werknemer zelf, de werkgever, de arbodienst, de bedrijfsarts, de casemanager en vaak ook nog behandelaars, zoals de huisarts. De vraag is of we het daarmee niet alleen maar ingewikkelder maken.

Die keten roept ook vragen op. De bedrijfsarts heeft een wettelijk verankerde professionele autonomie, maar wordt betaald door de werkgever. Hoe zorgen we ervoor dat de werknemer die onafhankelijkheid ook zo ervaart? Aan de andere kant spreekt de werknemer de bedrijfsarts meestal vaker dan de werkgever. De vraag is of de bedrijfsarts daardoor de belangen van een werknemer zwaarder mee laat wegen in het advies. Ook kun je je afvragen welke drijfveren er eigenlijk in het verdienmodel van de verzuimketen zelf zit: wordt iedere schakel beloond voor herstel of soms ook voor de duur van het traject?

Patronen doorbreken

De patronen die hierboven zijn beschreven – met rust laten, het onvermogen om over psychische klachten te spreken, bureaucratie die vermijding dekt, verantwoordelijkheid die tussen vijf partijen verdwijnt – zijn bij de meesten betrokkenen wel bekend. Ze bepalen in grote mate hoe langdurig verzuim in Nederland verloopt. Als we dat willen veranderen, is het van belang om eerst deze patronen te bespreken. Waar komen deze vandaan en wat kunnen we doen om ze te doorbreken?

Pas als we hierover met elkaar het gesprek kunnen voeren, kunnen we ook nadenken over veranderingen en werken aan een systeem dat zowel werknemers als werkgevers de mogelijkheid geeft om samen ervoor te zorgen dat het langdurig ziekteverzuim in Nederland wordt teruggedrongen.

Juli 2026

Robertjan Uijl , directeur-bestuurder Blik op Werk

[1] Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (CBS/TNO), 2024

[2] ArboNed & HumanCapitalCare, Verzuimupdate september 2025

[3] TNO Arbobalans 2024

Over de Blikopenerserie ‘Ander perspectief op re-integratie’

Dit is het startartikel van de eerste Blikopener-serie met als thema Ander perspectief op re-integratie. In deze series onderzoekt Blik op Werk samen met (ervarings)deskundigen actuele maatschappelijke vraagstukken rond werk en participatie. Via gesprekken, interviews en bijeenkomsten brengen we verschillende perspectieven samen en komen we tot nieuwe inzichten en frisse denkrichtingen: Blikopeners.
Voor dit artikel sprak Robertjan met diverse experts, onderzoekers en ervaringsdeskundigen.